In Mongolië, een land waar snowboarden zich nog in de jaren negentig lijkt te bevinden, moet je er heel wat voor over hebben om een paar bochten te kunnen zetten. een bijzondere splitboardexpeditie naar de uithoek van dit prachtige land.


Woord & beeld // Mirte van Dijk

RIDERS // Stephan Verheij, Rens de Wild, Sébast ien Jam, Batt ulga Gantulga (Woogie), Munkhsaikhan Gundsambuu (Musta fa)


Niemand van ons had ooit gedacht zo dicht bij de hoogste berg van Mongolië te komen. Het stond niet op onze to-dolijst. Maar reizen door de wildernis, eagle hunters ontmoeten en bivakkeren op de gletsjer om vervolgens de eerste sporen met ons splitboard te zetten wel. Om ons heen is het muisstil. Het is midden in de nacht en onze tenten staan onder de kraakheldere sterrenhemel in de wildernis van het Altaigebergte. Over enkele uren hervatten we onze tocht met het Russische Furgon-busje richting het National Park Tavan Bogd. Als hij tenminste start. De rit tussen de stad Ölgii en Tavan Bogd duurt eigenlijk zeven uur, maar wat ze hier ‘weg’ noemen, noemen wij gewoon offroad. Een lekke band en problemen met de koppeling kwamen dan ook niet als een verrassing. We zijn inmiddels al anderhalve dag onderweg. En we waren al met twee dagen vertraging aan deze rit gestart. Inmiddels beginnen we te wennen aan het feit dat in deze wildernis alles langer duurt dan we dachten.



Survival-skills

Ik word gewekt door een combinatie van de geur van tsuivan, een aardappel-wortel-noodlesoep die ze hier eten als ontbijt, lunch en avondmaaltijd – en het geluid van de galopperende wilde paarden die bij de zonsopgang over de steppen rennen. Wanneer ik de tent uitstap prikken de eerste zonnestralen door het roze wolkendek. Het is bijna niet voor te stellen dat we op weg zijn naar de sneeuw, overdag is het rond de vijfentwintig graden en niks, maar dan ook niks, wijst erop dat we ergens kunnen snowboarden. Alleen onze inmiddels met stof bedekte boardbags op het dak van de Furgon verraden onze missie. “Sain uu!”, klinkt het aan de geïmproviseerde ontbijttafel. Woogie en Mustafa slurpen bij het ontbijt. We groeten onze nieuwe vrienden en ploffen neer op de kampeerstoelen. Ik staar naar de tsuivan en vraag me af of mijn maag dit om zeven uur in de ochtend wel aankan. Woogie, geboren als Battulga Gantulga, is de reden dat we hier zijn. In 2009 richtte hij samen met Mustafa de Mongolian Professional Snowboard Federation op met als doel het snowboarden in dit land op de kaart te zetten.

De sport is hier relatief onbekend, enigszins logisch, want snowboarden staat niet op nummer een op de lijst met survival-skills als je de ijskoude winters in Mongolië moet overleven. Op een avond vertelt Woogie over het groeiende aantal leden van de Snowboard Federatie, ondanks het feit dat er nauwelijks materiaal is om kennis te maken met standing sideways. Boards, boots en bindingen worden meestal geïmporteerd vanuit Korea of Japan, maar de hoeveelheid kennis is nog een beetje zoals in de jaren negentig. Ze kijken dan ook hun ogen uit als we de splitboards die we voor Woogie en Mustafa meegenomen hebben tevoorschijn halen. Kennis, ervaring en cultuur mixen zich met elkaar en snowboarden is de bindende factor. Het is inmiddels acht uur, de zon warmt onze lichamen langzaam op en het kommetje met tsuivan is leeg. Gelukt.



Overdag

De stoffige Furgon houdt het goed vol. We hobbelen met maximaal veertig kilometer per uur over rotsblokken, door diepe plassen en ellenlange zandwegen richting het national park Tavan Bogd, wat betekent de ‘Vijf Heiligen’. Van deze heiligen zien we echter nog niets. De lemen hutjes waar de boeren gedurende de winter wonen schieten aan ons voorbij. In deze periode van het jaar is de sneeuw net ver genoeg weggesmolten, zodat de eagle hunters, kamelendrijvers en yakherders weer terug de bergen in kunnen verhuizen. We zijn zo diep op de steppen dus niet helemaal alleen en dat komt goed uit, want we hebben nog een stel kamelen nodig om onze spullen naar het basiskamp te dragen. En zodoende moeten we wachten totdat we iemand tegen het lijf lopen die kamelen beschikbaar heeft. Maar als je bedenkt dat ruim 1,5 miljoen van de in totaal drie miljoen inwoners van Mongolië in de hoofdstad Ulaanbaatar woont en de gemiddelde bevolkingsdichtheid een kleine anderhalf persoon per vierkante kilometer is (in Nederland leven we op dat oppervlak met gemiddeld 410 mensen), dan mogen we van geluk spreken als we hier nu een nomade tegenkomen die vijf kamelen verhuurt. Daar komt nog bij dat de kamelen binnen een omtrek van minimaal honderd vierkante kilometer vrij rondlopen, maar wij hebben er alle vertrouwen in dat we morgenochtend aan die tocht naar het basiskamp kunnen beginnen. Het is vroeg in de avond als we aankomen bij de grens van het national park. De zon laat zijn laatste oranje lichtstralen op ons schijnen en voor het eerst hebben we zicht op de besneeuwde pieken van de Tavan Bogd. Het gras is pas recent onder de sneeuw vandaan gekomen en kleurt hier en daar al groen. In de verte verdwijnt er een kudde paarden achter de contouren van de oprijzende bergen.



Leerzame lessen

Het basiskamp ligt op 3084 meter hoogte aan de voet van de Potanin-gletsjer die zich achter een enorme muur van morene (een verzameling van afgebrokkelde stenen en gruis) schuilhoudt. Vanuit onze tentjes zien we de besneeuwde hellingen van alle vijf de heiligen, ofwel de Tavan Bogd. Na enkele dagen in het basiskamp, een verkenningstocht over de gletsjer en het rijden van de Naran- en Burged-toppen, hebben we een aantal dingen hardhandig moeten leren. Op de eerste plaats geldt ook hier in het hooggebergte dat alles langer duurt dan het lijkt. Het oversteken van de gletsjer duurt drie tot zes uur. En dan heb je er al twee uur opzitten om de gletsjer via de morene überhaupt te kunnen bereiken.

Tegen de tijd dat je bovenaan de lijn staat en eindelijk op je splitboard kan instrappen, ben je dus al gauw vijf of zes uur verder. Dertig seconden later sta je met een paarbochten zo weer onderaan. En dan begint de hele tocht weer terug naar het basiskamp. Al met al zijn dagen van twaalf tot dertien uur geen uitzondering. Op de tweede plaats missen we informatie en technologie. De walkietalkies blijken niet te werken zo dicht bij de Chinese en Russische grenzen, die op slechts tien kilometer afstand liggen. Onze satelliettelefoon werkt wel, maar niet erg accuraat. Het weerbericht dat we drie keer per dag opvragen is niet bepaald te vertrouwen en er is maar een manier om het weer te voorspellen: horen, zien en anticiperen. Daarnaast zijn ook onze kaarten zeer beperkt. Stephan heeft ergens diep verborgen op het internet een kaart gevonden van het Russische leger, maar real life inschattingen zijn nauwkeuriger. Het derde ding dat we inmiddels geleerd hebben, is dat de omstandigheden een behoorlijke impact op ons en ons materiaal hebben. De temperaturen lopen uiteen van net onder het vriespunt tot twintig graden boven nul, dit op één dag, daarnaast slapen we op ruim 3000 meter hoogte en ook al eten we elke dag koolhydraten in het kwadraat, onze energievoorraad volledig aanvullen lukt niet. Bovendien is het eten dat we bij ons hebben redelijk zorgvuldig berekend, extra eten zit er dus niet in. We zijn inmiddels ook al een ijsbijl verloren, er zijn een aantal stokken gebroken en er zijn al twee splitboards gesneuveld. Ik heb mijn ogen verbrand door de heftige reflectie van de zon, Woogie heeft een enorme ontsteking in zijn enkel en Mustafa kan niet van zijn buikpijn afkomen. Maar iedereen denkt in oplossingen en geen enkele keer in problemen en dat leidt uiteindelijk zelfs tot een nieuwe missie: het beklimmen en afdalen van Mongoliës hoogste piek: de Khuïten.



Dreigend

Al vanaf dag een staren we naar de steile oostwand van de Khuïten, een berg met een karakteristieke vorm en een enorm dreigende ijswand. De 4374 meter hoge beklimming via de zuidoostelijke graat ziet er erg toe- gankelijk uit, maar we hebben er geen enkele informatie over. Een ding weet Mustafa in ieder geval zeker, er is nog nooit een snowboarder of skiër die oosthelling afgereden. Gezien de afstand vanaf het basiskamp is het noodzakelijk om een tweedaagse expeditie in te plannen. Tent, slaapzakken, eten voor twee dagen, brander om water te smelten en al onze klim- en snowboardmaterialen gaan in en op onze rugzakken. We hijsen de twintig kilo zware tas op onze schouders, knuffelen onze Mongoolse vrienden een ‘vaarwel’ en starten aan het hoogtepunt van onze trip. De eerste paar kilometers zijn afschuwelijk zwaar. Het is dan ook een verademing wanneer we na drie uur hiken eindelijk voet zetten op de gletsjer en verder kunnen per splitboard. De zon brandt inmiddels op onze wangen en ook het smeltende ijs zorgt voor vele diepe stromingen waar we ons tussendoor moeten zien te manoeuvreren. Vanuit het dal zie ik de bewolking opkomen, grote dikke en donkere wolken die langzaam omhoog stromen onze kant op. Ik word er zenuwachtig van. Plots stopt Rens, hij loopt voorop en leidt de touwgroep. “Oké jongens, touw strak, er zitten hier gletsjerspleten.” Maar wanneer blijkt dat we nauwelijks verder kunnen omdat de spleten boven, onder, links en rechts van ons zitten, begint het zweet me toch wel uit te breken, vooral omdat de dreigende bewolking nu dichtbij om ons heen cirkelt. Bij elke stap die we zetten loopt er iemand van ons het risico door de sneeuw heen te zakken. Zoals verwacht duurtde tocht naar de kam langer dan gepland, maar liefst zes uur na vertrek ploffen we neer op het veilige sneeuwveldje van waaruit de jongens morgenochtend de graat op zullen klimmen. We zijn gesloopt door de zenuwen, het concentreren en de spanning, maar het uitzicht op de oosthelling is fantastisch. Het koelt hier snel af, op ruim 3600 meter. Ingepakt in onze slaapzakken liggen we op een van de grote rotsplaten naar de ondergaande zon te kijken, we hebben geluk dat het wolkendek naar China is gezogen en een blauwe hemel recht boven ons opent zich.


Van stipjes tot lijnen

De volgende ochtend vertrekken Rens, Stephan en Sébastien over de zuidoostelijke graat naar de top van de Khuïten. Het is vijf uur als ik de stipjes op de berg langzaam kleiner zie worden en met mijn slaapzak weer op de rotsplaat ga zitten. Verschillende gevoelens van spanning bekruipen me, zenuwachtig, adrenaline, focus… we kunnen tenslotte niet met elkaar communiceren en als er iets gebeurt dan zijn we heel, heel ver van huis. Precies vier uur later zijn de drie stipjes bovenaan de entrance van de lijn, net onder de top. Hoewel deze entrance er angstaanjagend uitziet, blauw ijs en ruim vijftig graden steil, weet Stephan als eerste de abseil van dertig meter vrij snel en succesvol af te leggen. Hij klikt zichzelf uit het touw, daalt nog twintig meter verder af met behulp van zijn ijsbijl en zet dan zijn eerste bocht richting de traverse boven de grote ijsmassa’s. Die eerste bocht is niet bedoeld voor moederogen, maar Stephan herpakt zich snel en rijdt steady op zeer hoge snelheid verder naar de sneeuwvlakte. Het is hem gelukt, het moeilijkste deel is voorbij als hij over de steile wand gecontroleerd naar beneden suist. Over de laatste barrière, een enorme breuklijn, springt hij zonder problemen, maar na de landing kunnen zijn benen hem niet meer dragen. Deze eerste snowboarder in de geschiedenis die de Khuïten via de oosthelling bedwongen heeft, is veilig beneden gekomen, gesloopt, maar tevreden. Nu de anderen nog.



Op de tijdlijn

Na Stephans afdaling maakt Rens een start aan de abseil. Hij voelt zich niet veilig en maakt de zeer dappere beslissing te stoppen en terug omhoog te klimmen. De tijd verstrijkt snel en de bewolking komt opnieuw opzetten. Op zulke momenten is de druk hoog en moeten beslissingen snel worden gemaakt. Sébastien kiest ervoor de battle met de Khuïten aan te gaan en raakt verzeild in een gewetenskwestie rondom zijn veiligheid. De drone die hij bestuurt verliest het signaal en na een kleine tomahawk midden in het steile sneeuwveld verliest Sébastien ook nog eens de remote. Was het wel verstandig om de drone in zo’n extreme situatie mee te nemen? Ruim twee uur na Stephans afdaling komt Sébastien met veel gemengde gevoelens aan bij het bivouac, de plek waar de tent staat. Als ook Rens via een veiligere route is afgedaald, kunnen we ons na een kleine adempauze voorbereiden op de helse weg terug naar het basiskamp. Moe zijn kan niet, je focus verliezen evenmin. Het avontuur eindigt niet na die ene afdaling, het eindigt pas als je de gehele terugtocht hebt afgelegd. Met onze laatste restjes energie glijden we op ons board over de gletsjer richting de muur van morene. Open gescheurde delen op de gletsjer zijn inmiddels gevuld met ijswater en het board graaft zich de laatste kilometer diep in de papperige sneeuw. Dan maar lopen, kniediep en loeizwaar. Met het oog op het wisselvallige weer kunnen we niet te lang pauzeren en we zijn blij dat we hebben doorgezet. Ruim veertien uur na zonsopgang strompelen we het basiskamp binnen. Onze Mongoolse vrienden schieten ons snel te hulp en tillen de zware rugzakken van onze ruggen. Een kleine tien minuten later hangt de wolkbreuk boven ons hoofd. Het was een race tegen de klok. En dat in een land waar de tijd geen begin en geen einde kent.

Ik lig op mijn boardbag naar de lucht te staren. We zijn aan onze terugreis begonnen en we hebben al een halve dag op de kamelen achter de rug, maar dat is niet erg. Het leven op de tijdlijn van Mongolië geeft een bepaalde rust en daar zijn we inmiddels aan gewend.


Basiskamp 3084 meter

Vanaf het basiskamp:

Naran 3887 meter // Omhoog: 1002 meter  Afstand: 11800 meter // Expositie: noordoost

Burged 3603 meter // Omhoog: 996 meter Afstand: 10400 meter // Expositie: noord/ noordoost

Bivouac 3618 meter // Omhoog: 556 meter Afstand: 9000 meter

Khuïten 4374 meter vanaf bivouac Omhoog: 808 meter // Afstand: 14500 meter // Expositie: zuidoostelijke graat omhoog, oosthelling naar beneden


Dit artikel is afkomstig uit Taste snowboard magazine 2017 #1. Mocht je meer reisverhalen, interviews, tips & tricks en nog veel meer willen lezen? Taste snowboard magazine 2017 #1 is los te bestellen in onze webshop. Voor het gemak kun je ook abonnee worden zodat je geen nummer meer hoeft te missen!